.

Modernisering in de fruitteelt heeft steeds tot grote veranderingen in nagestreefde boomtypes en snoeimethoden geleid. Een overzicht van snoeimethoden vinden we in het boekje 'Hoe snoeien wij onze vruchtbomen' van Adrie van Oosten, uitgegeven in 1954 door de Nederlandse Fruittelers Organisatie.

Hieronder een kort overzicht.

Rond 1954 had je nog alle denkbare typen boomgaarden. Van Oosten maakt gemakshalve onderscheid tussen grote boomvormen (ook wel grootkronige bomen) en kleine boomvormen.

Tot de grote boomvormen behoren struikvorm, halfstam en hoogstam op krachtige onderstam. Tot de kleine boomvormen behoren de dwergbomen op zwakke onderstam (bijvoorbeeld de cordonbomen maar ook vrije dwergspillen).

De 'boerensnoei' rond 1900 was (naar verluid, want bijna niet gedocumenteerd!) betrekkelijk grof en extensief ('af en toe een zware tak verwijderen om de kroon luchtig te maken'). De gespecialiseerde fruitteelt leek juist daarom zo interessant omdat de kennis opgedaan op fruittuinen ('pomologensnoei', 'leifruitsnoei', 'beredeneerde snoei') op grote schaal op grote boomvormen zou kunnen worden toegepast. De resultaten en de hoeveelheid werk vielen echter behoorlijk tegen.

Vervolgens was er een tendens om bomen lager te laten beginnen en minder hoog uit te bouwen. In plaats van een zuil- of bolvormige kroon streefde men naar een kom- of schaalvormige kroon (appel) of een smalle zuil of blokvorm (peer) waarbij de gesteltakken van binnen naar buiten vrucht moesten dragen. De snoei tijdens de opbouw kwam neer op verwijderen of remmen (regelmatig inkorten) van de harttak en 'langere snoei' (vergaffelen) van de gesteltakken.

Ook nu vielen de resultaten niet mee. De zware snoei op het hart van de boom betekende veel nieuwe scheutontwikkeling, extra snoei en late vruchtbaarheid. Er werd weer uitgekeken naar 'vrijere' mildere snoeimethoden die beter aansloten bij de natuurlijke groei van de boom. Zoals bijvoorbeeld de 'Oeschbergsnoei' die in de jaren '50 in Zwitserland, Oostenrijk en Zuid-Duitsland is ontwikkeld en in een vrijere vorm ook hier werd nagevolgd.

In Nederland kwam men uiteindelijk uit op 'de vrije spil'. Strenge vormsnoei blijkt ten koste te gaan van groei en vroege vruchtbaarheid. De snoei (of uitbuigen) is uitsluitend gericht op gelijkmatige ontwikkeling van een aantal goed geplaatste gesteltakken (al dan niet met harttak). De jonge zijscheuten mogen aanvankelijk zoveel mogelijk blijven. Dat laatste zowel om vroege vruchtbaarheid te bevorderen als om groeikracht op peil te houden! Pas als voldoende vruchtbaarheid is ingetreden gaat men de kroon weer wat luchtiger maken.