.

Wie de recente ontwikkeling van de fruitteelt probeert te ontcijferen aan de hand van leer- en voorlichtingsboeken verkijkt zich snel op het feit dat de praktijk de theorie bij lange na niet bij kon houden. De literatuur geeft dus wel een beeld van opeenvolgende nieuwe ideeen maar is niet representatief voor de praktijk 'in de breedte'. Grofweg kun je stellen dat er minstens elke tien jaar nieuwe ideeen en nieuwe rassen kwamen. Terwijl -zeker in het begin van de vorige eeuw- een eenmaal aangeplantte boomgaard meerdere decennia mee moest om rendabel te kunnen worden. En bij het raadplegen van de literatuur blijkt dat je steeds goed moet opletten over welk deel van de fruitteelt, welk tijdvak, welk boomtype, de auteur het heeft. Een paar opmerkingen die hier verband mee houden:

  • Enerzijds is het een gegeven dat rond 1900 nog veel hoogstam boomgaarden zijn aangelegd, anderzijds is de vakliteratuur uit begin vorige eeuw al grotendeels georiënteerd op 'fruitteelt nieuwe stijl'. Over onderhoud van hoogstammen 'oude stijl' (van voor en rond 1900) vind je alleen versnipperde informatie. De nieuw aangelegde boomgaarden moesten echter nog zeker 50 jaar mee!
  • Met de opkomst van de gespecialiseerde fruitteelt werden aanvankelijk nieuwe groeivormen en snoeimethoden voor de hoogstam geïntroduceerd. We hebben het dan met name over de periode 1900 - 1925. De 'fruittelershoogstam' uit die tijd is niet meer vergelijkbaar met de 'boerenhoogstam'.
  • In het tweede kwart van de vorige eeuw maakt men onderscheid tussen enerzijds grote of grootkronige bomen en kleine boomvormen. Grootkronige bomen waren geënt op krachtige onderstam (geplant in gras). Kleine bomen (dwergbomen en leibomen) waren geënt op zwakke onderstam. Halfstam, laagstam en struik kwamen in beide categorieën voor en kunnen dus benamingen zijn voor grootkronige bomen of voor dwergbomen.
  • De ontwikkeling van snoeimethoden verliep meestal niet volgens een 'harmonie-model'. Aanhangers van een nieuwe snoeimethode hebben de neiging zich af te zetten tegen anders snoeienden of moesten zich juist eerst bewijzen. Door zo'n scholenstrijd kan dan soms onvoldoende naar voren komen dat verschillende methoden heel specifieke voor- en nadelen hebben (voordelen werden overdreven, nadelen ondergeschoffeld).
  • In het assortiment trad een geleidelijke verschuiving op van fruit voor verwerking (bakken, stoven, drogen) naar handfruit. Het oorspronkelijke hoogstam-assortiment van voor 1900 is grotendeels verdwenen. Daarna is het verloop in het assortiment steeds sneller gegaan.
  • Een groot deel van de rassen die na 1900 zijn geïntroduceerd werden getoetst op nieuwe groeivormen en snoeimethoden. Hoewel ze geïntroduceerd zijn in een tijd dat er nog veel hoogstammen waren zijn ze daar nooit op toegepast. Soms zijn ze ronduit ongeschikt voor de ouderwetse hoogstam (Jonathan en James Grieve bijvoorbeeld).
  • In de bestaande hoogstam boomgaarden werd soms nog op nieuw assortiment ingespeeld door op grote schaal om te enten. Bekende voorbeelden: Laxton op Brabantse Bellefleur en Legipont of Clapp's op Oomskinderenpeer.
  • Hoogstam boomgaarden zijn weliswaar 'grasboomgaarden' maar aanplant vond plaats in open omgeploegde grond. Niet alleen wanneer aangeplant werd op een voormalige akker (zoals in Limburg en Zeeland rond 1900), ook weiland werd eerst omgeploegd (zoals in de Betuwe). Het gras werd pas na een jaar of acht ingezaaid, in die tussentijd werden andere gewassen als tussen- of onderteelt in de boomgaard verbouwd.