.

De klassieke hoogstamboomgaard bestaat uit grote fruitbomen op gras, de zogenaamde 'fruitweide'. De bomen zijn voldoende hoog opgekroond om de onderste takken buiten het bereik van vee en wild te houden. De stamlengte bedraagt meestal zo'n 2 meter. Ze staan ver genoeg (vaak meer dan 10 meter!) uit elkaar zodat de kronen elkaar niet raken en het gras nog kan worden benut voor het vee.

Van origine horen deze boomgaarden bij het gemengde boerenbedrijf: de fruitproductie was bedoeld om extra inkomsten te verkrijgen. In dat geval ging het vaak om grotere weidepercelen met een flink aantal bomen (meerdere tientallen tot honderden bomen) van een beperkt aantal rassen (visueel: veel bomen van dezelfde leeftijd, ras en type).

Daarnaast hadden veel boerderijen op of dichtbij het erf een 'geriefboomgaard' met fruit voor eigen gebruik. Meestal een stuk of tien bomen met juist grote variëteit in rassen, leeftijd en type.

Hoewel hoogstamboomgaarden lang mee gaan en overkomen als 'eeuwenoude' landschapselementen zijn ze eigenlijk juist altijd aan verandering onderhevig. Een hoogstam appelboom kan ruwweg een jaar of honderd mee gaan. Een sterke peer kan onder gunstige omstandigheden zelfs de 200 jaar halen. Maar omdat nieuwe aanplant op de plek van een voormalige boomgaard ongunstig was voor die nieuwe aanplant rouleerden de boomgaarden vaak door het landschap. En met elke nieuwe aanplant waren er altijd weer nieuwe snoei- en teeltmethoden en nieuwe rassen  afgestemd op de nieuwe vraag bij het publiek .